ROMAN

Vervalsing zonder Origineel

of:

 

De Geschiedenis van het Anarchisme

in het Industriestadje Antwerpen

op het einde van de Twintigste Eeuw

zoals verteld door

Reno Detruy

 

HOOFDSTUK I.

Den Delhaize

 

Waarin we kennismaken met onze Held met het droeve gelaat,

de omstandigheden waarin hij zich begeeft,

zijn wat wereldvreemde manier van doen

en de tristesse die op het einde van dit millenium hangt,

als een te grote stofjas rond een oude magazijnbediende

die net te horen kreeg

dat hij tot zijn 67ste zal moeten werken

vooraleer hij op pensioen mag.

 

 

 

I.

 

Ik vroeg aan de mevrouw aan de kassa van de Delhaize of ik mijn boodschappen in een zak van de Lidl mocht steken. Ze had er geen bezwaar tegen.

Ik vertelde dat mijn rugzak in de was was, omdat ik daar gisteren twee liter prei- en champignonsoep had in laten uitlekken. Ik was namelijk onderweg van Mechelen naar mijn lief hier in 't Stad en ik ging koken en ik had al soep gemaakt. Ik had die in zo'n pot van de Griekse yoghurt gedaan, die ze in de Lidl verkopen. Heel lekkere yoghurt maar natuurlijk niet echt Grieks. Nagemaakt, zoals alles tegenwoordig.

 

Eigenlijk schandalig dat ze dat Grieks mogen noemen terwijl het waarschijnlijk uit Polen komt. En ik haat Polen. Maar om een kort verhaal lang te maken: dat potje sloot niet goed en het deksel was er afgefloept. Het was grappig want ik stond juist op de bus en er liep een vrouw voorbij en ik dacht nog "amai die madam ruikt lekker naar soep," maar toen viel mijne frank en het was dus mijn eigen soep die ondertussen uit mijn rugzak op mijn jas en mijn broek en de grond lekte.

 

De mevrouw aan de kassa van de Delhaize had zelf ook al zo eens iets meegemaakt, zei ze, maar toen was het een fles Pouilly Fumé die ze had gekocht voor een vriendin die verhuisd was naar een appartement dat ze gekocht had met de erfenis van haar moeder die een jaar daarvoor overleden was aan een gruwelijke kanker.

Dat geld had een jaar geblokkeerd gestaan op een rekening bij Belfius omdat Dexia failliet was en niemand kon op de Dienst Nalatenschappen zeggen hoe ze aan dat geld kon komen. Tenandere: ze had bij de belastingen ook nog een schuld gehad die ze eerst moest aflossen want die hadden beslag gelegd op die rekening met de erfenis van haar moeder die een jaar daarvoor overleden was aan een gruwelijke kanker. Het ging om een kleine schuld, zo'n 1.500€ die ze nog moest betalen omdat ze een paar jaar daarvoor twee partime jobs had gedaan. Die twee jobs brachten goed op maar er werd te weinig belastingen vooraf gehouden zodat ze zich een hoedje schrok toen haar belastingbrief in de bus viel. Dat hoedje had ze opgezet toen ze haar moeder de laatste keer bezocht in het ziekenhuis. Ze hadden wat afgelachen.

 

Ja, zei ik, ik heb thuis ook nog zo'n hoedje. Dat heb ik me geschrokken toen ik eens 's ochtends om zes uur twee politie-agenten in burger in mijn slaapkamer zag staan. In de living stonden er nog drie, een in de keuken en een zat er op toilet. Ik vroeg aan mijn lief "wie heeft die agenten hier achtergelaten?!" maar ze waren vanzelf gekomen. "Ze hebben je gevolgd", zei ze, waarop ik vroeg "mag ik ze houden?"

 

Maar dat ging niet; de agenten hielden mij. Aan, namelijk en zoals dat heet moest ik gevankelijk mee naar hun kantoor op de Singel, afdeling terrorisme en mensenhandel. De fotografe die daar als burger werkte op dat kantoor op de Singel, afdeling terrorisme en mensenhandel, heb ik nog goed gekend. Ze is lange tijd mijn buurvrouw geweest toen ik nog in Berchem woonde, aan dat ronde pleintje met één boom in het midden. 's Woensdags is het daar markt en op een zondag was er eens rommelmarkt en toen heeft iemand mijn Enfield gestolen. Die had ik nog niet zo lang daarvoor overgekocht van een oude hippie die hem in India had gekocht en laten overkomen met de boot”, zei ik. “Ik moest alleen de overbrenging betalen. Dat viel goed mee, maar ik heb er dus niet zo lang op gereden. Misschien maar goed ook want ik kon niet rijden, ik had geen nummerplaat, geen rijbewijs en geen verzekering.”

 

"Ah," zei ze, "maar daar geloof ik niet in."

 

"In verzekeringen?" vroeg ik?

 

"Inderdaad" zei ze, en ook "dat is dan 17€40".

 

Ik stak mijn bankkaart in het toestel en dacht "ik lijk wel een volwassene," en herinnerde me dat ik de vuilzakken nog moest buitenzetten.

 

"Het is me wat", zei ik en ook "nog een prettige dag!”

 

 

 

 

II.

 

“Dat van die 7 politie-agenten als volgers waarvan er 's morgens twee plots naast mijn bed stonden waardoor ik me een hoedje schrok, die drie in de living, een in de keuken en een die gewoon op toilet zat omdat hij buikgriep had terwijl ik en mijn lief natuurlijk nog in onze blote in bed lagen, dat was in de tijd van het ALF”, zei ik tegen een orthodoxe jood die ook aan de kassa van de Delhaize stond.

 

"Amai, zeven agenten als volgers," zei hij, alsof het op facebook was. Maar daar wordt ik door meer agenten gevolgd. En door het Vlaams Platform Radicalisering, samengesteld uit experten van onder meer de beleidsdomeinen Welzijn, Onderwijs, Jeugd, Werk en Integratie, aangevuld met een afgevaardigde van de VVSG, al was ik geen moslim.

 

"Ja," zei ik, "maar ik had er niets mee te maken met heel dat ALF en dat zei ik hen ook, ik zei dat ik zelfs geen vegetariër was, "wat kunnen mij de dieren schelen?" riep ik. Maar ze hadden het te druk om met hun administrateurekeshanden al mijn boeken en onderboeken en doeken en koffiekoeken te onderzoeken. Ik zei tegen de bevelvoerend commissaris, zei ik zo, ik zeg, ja zeg ik, en ik brulde in zijn oor: "als gij in mijn huis, dan ik in da van u" en zo van die dingen. Waarop hij vroeg "is dat een bedreiging?!" Maar bedreigen is verboden en dus zei ik "nee, het is een voorspelling."

 

Ze rommelden in mijn dossiers en stapels papieren alsof ze daaronder de gsm van Abdeslam Saleh gingen vinden maar van islamitische radicalisering wisten ze toen bij de politie nog niet veel. 't Is te zeggen, ze hadden er al eens van gehoord en bij stilgestaan. Maar ze dachten dat de AEL vol zat met radicale moslims terwijl de kern daarvan gewoon uit het ABVV kwam maar daar niet content was. Alsof er iemand buiten de vakbondsbonzen wel content is bij het ABVV.

Ik zei het tegen mijn nieuwe orthodoxe joodse vriend, ik zeg "wie is er nu wel content bij het ABVV?" en hij beaamde. Hij alvast niet want hij was geen lid. Zijn broer wel, die was vroeger diamantslijper geweest en in tegenstelling tot wat de mensen dachten, werd je daar niet rijk van. Je kon zelfs de overschotten en de splinters van uwe diamant niet mee naar huis nemen zoals bedienden de plakband en de potloden en ringmappen als je op een bureau werkte die je dan thuis kon uitstallen en zeggen “het is van de camion gevallen”. Dat ging niet bij diamantslijpen en nu was zijn broer werkloos want al dat geslijp deden ze niet meer in Antwerpen, dat was al lang geleden allemaal gedelocaliseerd zoals de winning van steenkolen en ijzererts. Alleen ruwe diamant werd nog geïmporteerd en geëxporteerd maar dat was eigenlijk allemaal voor de schijn, zei hij, die diamanten wisselden nauwelijks van eigenaars, het was allemaal zwart geld.

 

"Ja!", riep ik veel te hard zodat de mensen die ons voorbij wandelden op de Plantin en Moretuslei opkeken, "kijk naar Omega Diamonds!". Maar dat was helemaal aan de andere kant van de spoorweg dus we konden dat niet zien.

 

De bevelvoerend commissaris met de administrateurkeshanden die zo zonder verwittiging naast mijn bed stond, had gemene, blauwe ogen en spierwit haar dat recht omhoog stak. Hij leekt op een Zweed of een Deen. Het had ook een Noor of iemand uit die streken kunnen zijn maar zeker gene Samen, die zien er niet uit als ariërs maar als indianen. Ze hebben trouwens samen een soort van basisdemocratisch zelfbestuur dat wat aan anarchisme of intercommunalisme doet denken, zoals in Koerdistan, in zekere zin. Heel vergelijkbaar, maar dan helemaal anders en in het noorden van Europa.

 

Afin,

 

in gedachten verzonken, wandelde ik met de orthodoxe jood van de Delhaize waar ik mijn boodschappen in een zak van de Lidl had gestopt tot aan de hoek van de Plantin en Moretuslei waar tram 11 halte houdt als die tenminste niet gewoon in rotvaart de Plantin en Moretuslei over sjeest als het groen is. Daar stond een Marokkaan met zijn dochtertje aan de hand te wachten en ik zei “dat gevoel heb ik wel vaker, dat ik zo denk dat ik op een volwassene lijk maar dat eigenlijk niet ben. Niet echt.”

 

Ik dacht dat de man mompelde "'t Is me wa" maar later begreep ik dat het "Bismillah" moet geweest zijn en het meisje keek me met grote ogen aan. “Dan heb ik het gevoel alsof ik doe alsof, snap je?” Ik keek naar de jood en de Marokkaanse man en “helemaal,” zei het meisje, “je zet je vuilzakken op tijd buiten, je betaalt al eens een rekening, je hebt een bankkaart en je identiteitskaart is geldig. Het ziet er uit alsof het allemaal normaal is. Maar niet in je hoofd.” Ik knikte; “we doen een beetje alsof. Maar we zijn wel flink.”

 

Ze begreep het, maar dat was niet verwonderlijk, ze was nog kind. Die begrijpen dat soort dingen, ze kunnen er ook niets aan doen.

 

Bon, die bevelvoerend commissaris met de administrateurekeshanden zag er niet uit als een indiaan en deed niet aan basisdemocratisch zelfbestuur. Hij was ariër geworden, waarschijnlijk omdat zijn smerige hoer van een moeder geneukt had met een Waffen SS in zo'n Lebensbornhuis waar ze Ariërs met een Hoofdletter probeerden te kweken tegen de sterren op. "Daar werd nogal wat afgepoept", zei ik tegen het meisje. "Anni-Frid Lyngstad van Abba is zo'n kind van een Waffen SS in een Lebensbornhuis," vertelde ik. Het meisje knikte en haar vader ook. "Bei uns in Deutschland," zei hij en ik knikte en klakte mijn hielen tegen elkaar en vertelde die mop van mijn vader die vroeg "weet ge hoe de Duitsers mosselen eten?" en iedereen wist het al lang maar zweeg en toen iedereen stil was, bonkte mijn vader dan keihard drie keer op de tafel dat het bestek omhoog vloog en de glazen rammelden en riep hij keihard "AUFMACHEN".

 

Het kind schoot in een onbedaarlijke lach en toen kwam de tram.

 

Dat mijn vader zich dat nog wel herinnerde op het einde van zijn leven, van hoe de Duitsers mosselen eten en dat herhaaldelijk aan mij en mijn zoons demonstreerde, maar onze namen niet meer wist en zelfs niet dat ik zijn zoon was en mijn zoons dus zijn kleinzoons, en hij onze vader die bijna in de hemelen was, dat was triestig. Hij zat daar dan op tafel te bonken en "AUFMACHEN" te roepen en te lachen en wij keken naar hem met de tranen in de ogen alsof het een vreemde man was, wat het uiteindelijk ook was omdat hij in zijn hoofd door die vasculaire dementie natuurlijk zichzelf niet meer was. Allerlei aders waren ontploft en hadden gebieden in zijn hersenen blank gezet en als overstroomde en uit hun bedding getreden rivieren ontoegankelijk gemaakt en daar laveerde hij nog wat tussen, in zijn krakkemikkige roeibootje met herinneringen als roeispanen, "AUFMACHEN" te roepen.

 

We stapten op en mijn nieuwe Marokkaanse vrienden gingen op een bankje met twee zitten in de rijrichting en dus zette ik en de orthodoxe jood ons over hen en ik wende me tot het meisje.

 

Dus ik zat op tram elf

en ik dacht bij mezelf

wat is er aan de hand

waar zijn we aanbeland?

De wereld is een puinzooi

het is elke dag wel iet:

aangespelde negers

op een bodem vol nitriet,.

Ik ben zoals Bin Landen

(en een beetje ook als Bush).

Ik heb niet echt veel nodig,

juist een hele kleine push

om te komen tot een oorlog

(of althans een felle ruzie)

overal en elke keer

en altijd als ik u zie.

Ik heb daar over nagedacht

en kwam tot een conclusie:

oorlog heeft een oorzaak

da's dus juist zoals bij ruzie.

Een Boeing in uw bakkes

en ene in uw zij.

Ik haat heel de wereld

en de wereld dat zijt gij.

 

Ik keek op en het meisje keek naar me zoals ik naar mijn demente vader heb zitten kijken alsof we van een andere planeet kwamen. Haar ogen stonden vol en de ene stroomde over en er liep een traan uit de bedding over de wang van het meisje op het bankje in de rijrichting op tram elf.

 

Ze keek naar mij en ik keek naar haar en ik zei "ik zie je" en ik knikte. Ze knikte terug en we reden samen de stad uit.

Dat was nogal stom, aangezien ik gewoon om de hoek woonde, de andere richting uit en dus beter te voet had kunnen gaan.

 

Je hebt zo van die dagen. Ik toch.

 

 

III.

 

"Bij uw vader aanbeland had ge mij duchtig bij de keel...," zei mijn orthodoxe vriend die zich voorstelde als Immanuel Wallerstein toen de tram vertrokken was.

 

Ja, dat was ook triestig, dat van mijn vader. Ik zou zeggen "de mens had heel zijn leven keihard gewerkt en om dan zo te moeten eindigen," maar dat is niet waar. Hij was een plantrekker, mijn vader, die liefst zo weinig mogelijk werkte.”

“Hij was begonnen als elektricien bij de Vaxelair, de voorloper van de Bon Marché en dus de Grand Bazar. toen was er van Delhaize bij ons nog geen sprake. Wij gingen naar Groentenboer Lieveke die wij 'Dieveke' noemden omdat ze belachelijke prijzen vroeger maar waar we wel konden poefen tot het einde van de maand. "Schrijf het maar op, " moesten we dan van ons moeder zeggen. Of we gingen naar Bazareke Paul die van alles verkocht, onder meer speelgoed. Als ik een goed rapport had met veel goede punten, kreeg ik 20 frank en mocht ik daar iets gaan kopen. Paul, de eigenaar die achter de toog stond zoals toen nog normaal was, zei dan "meestal kieze ze dees," en dan kwam ik thuis met iets dat ik helemaal niet wou en waarmee ik niets kon aanvangen. Dat was een belangrijke levensles.

 

Het waren andere tijden: we kregen niet alleen gratis krediet bij Lieveke maar ook bij de melkboer en de brouwer en de bakker en het rare is dat die allemaal gratis aan huis kwamen en zoals het IJsboerke de dingen leverden die je wou hebben. Gratis gebracht en op krediet gekocht. Ge moet het nu eens proberen. Nu moogt ge al blij zijn dat er iemand aan de kassa staat, dat ge eens een goeiedag kunt zeggen en ge niet zelf uw producten moet inscannen en selfkassa spelen. Alhoewel: ge hebt nu ook al van die automaten waar ge uw geld moet insteken en dan sta ik daar zo beteuterd naar te kijken omdat dat ding niet reageert zoals ik verwacht. Echt artificieel intelligent is dat toch nog niet.”

 

"Van de Vaxelaire was mijn vader al snel overgeschakeld naar de Post," ging ik verder. "Daar moest hij de pensioenen triëren. Daar bestonden nog geen machines voor, dat gebeurde met de hand. En naar het schijnt was hij daar de strafste in. Hij kende alle straten en postnummers en mikte dat dat in de juiste postzakken zoals vandaag jongeren met frisbees smijten in het stadspark. Niet in Antwerpen, maar in Central Park in de States. Daar heb ik dat eens gezien. Niet ver van waar John Lennon is doodgeschoten door die Herostratus wiens naam ik ben vergeten, die het alleen maar deed omdat hij wereldberoemd wilde worden en de geschiedenis ingaan in plaats van de gevangenis. Tenzij hij het in opdracht van de CIA deed natuurlijk, dat kan ook.

 

Mijn vader begon vroeg 's morgens, om zes uur en ging te voet naar het postkantoor op de Groenplaats. Wij woonden op de Groene Hoek, toen, niet ver van het vliegveld. Toch een uurtje wandelen, minstens. Maar hij stapte stevig door, alsof de wereld van hem was. En soms was hij al terug thuis voor wij naar school vertrokken. Dan lag hij op de sofa tot de middag, ging nog een uurtje werken en was thuis als wij van school kwamen."

 

Zo ging dat toen bij de Post. Zoals bij de politie was dat halvelings een sociale dienst waar ze vooral aan tewerkstelling deden. Ge moest niet veel kunnen en niet veel doen. Er werd nog niet vermarkt omdat werk en een inkomen voor het volk belangrijker waren dan de eisen van de markt. Allez, dat dachten de socialisten en de katholieken toen toch nog en dus verdeelden ze de postjes op de post onder hun kiezers die toen nog het grootste deel van het volk uitmaakten.

"Ge moet mij goed verstaan," zei ik, "het is niet dat ze het grootste deel van het volk uitmaakten, zoals in beledigen. Daarvoor waren ze te goed opgevoed. Tenandere, ze waren zelf dat grootste deel en ze geloofden nog in de vooruitgang. Ze gingen toch zichzelf niet uitmaken?

 

Als de mensen toen over de markt praatten, hadden ze het over die van vorige of volgende vrijdag. Of hooguit de Vogelenmarkt waarbij wij dan als lange slungels in ons raar lijf moesten grinniken omdat we aan ons buurmeisje dachten en haar roze onderbroek.

 

In de gazetten stond ook geen rubriek over de beursverrichtingen en op de radio werd meer tijd besteed aan de duiven die gelost werden in Quievrain of de opgehaalde schotbalken nabij het Westervak van de Ringvaart van Gent nabij Drongen.

 

Mijn vader was niet zo heel lang maar hij liep altijd kaarsrecht, fier en proper op zijn eigen. Ik zag hem eens op de Melkmarkt voorbij wandelen toen hij van de Post kwam en tram elf ging pakken aan de Lange Nieuwsstraat en toen viel me dat op hoe hij boven de mensen uitstak. Ik zat toen in Muze in plaats van in de les, Duvel te drinken en naar die foto van Zeik Minzen te kijken die daar toen nog op zijn sax kwam toeteren tot horen en zien verging en iedereen er horendul van werd. Toen stonden er nog wietplanten op de vensterbank van de Muze in plaats van sanseveria's en mocht je nog op de muren schrijven en in de tafels krassen zonder op uw dak te krijgen. Dat was toen nog vrije, artistieke expressie en écriture libre. Iedereen dacht maar dat we vrijer en vrijer gingen worden en daar moesten wij in ons slungellijf ook om grinniken. Het woord vrijer kon al volstaan om erotische fantasieën op te wekken en zwellingen in onderbroeken, als ge versta wat ik wil zeggen."

 

Het meisje knikte en Immanuel keek uit het raam.

 

"Mijn vader was daar natuurlijk allemaal geen voorstander van, van die vrijheid, die was van de ouwe stempel. En fier en groot.

Maar als hij dan geveld was door dementie, was het gedaan. In het begin konden we er nog om lachen. Hij moest dan per force 's nachts de chauffage gaan herstellen terwijl daar niks mis mee was of nieuwe elentriek leggen in de Vaxelaire die al lang niet meer zo heette en ook niet meer Bon Marché of Grand Bazar maar Carrefourmarket. Hij zat daar dan in zijn pyjama aan de chauffage te klungelen en verstond er niks van omdat daar een thermostaat op stond die ze vroeger niet hadden omdat alles mechanisch was en niet elektrisch, laat staan elektronisch. Van elektriciteit wist hij alles maar niet van elektronica. Daar waren zijn gehavende handen ook te ruw voor geworden en ze bibberden teveel.

 

Als hij dan in dat home zat met dat bavet vol prei- en champignonsoep rond zijn nek te slobberen en te boeren en het eten liep van zijn kin en hij smeerde zijn lepel tegen zijn ingevallen wangen omdat hij zijn gebit niet meer vond, was het gedaan met lachen.

 

Ik dacht toen "wat een voddeke," en moest aan mijn moeder denken als ze mij, toen ik klein was, vroeg "hoe noemen ze de kinderen van Lappen?" Want dat waren dus voddekes. Als kind vindt ge dat grappig maar de Samen vinden het woord Lappen al beledigend, laat staan voddekes.

 

Hoe zoudt ge zelf zijn?" vroeg ik.

 

 

IV.

 

We kwamen aan de Gitschotellei waar vroeger ook een GB was die nu ook als een zelfstandige winkel met een gerant-eigenaar werd uitgebaat zodat Carrefour kon ontsnappen aan de CAO 312 van het paritair comité voor de warenhuizen. Omdat sommige van die winkels na de zogenaamde overname minder dan vijftig personeelsleden telden, hadden ze zelfs geen syndicale delegatie meer en geen comité voor vuiligheid en hygiëne. “Terwijl de vakbond daar zo sterk stond,” verzuchtte ik. “Maar dat zijn helemaal geen zelfstandige winkels, want ze nemen alle producten af van Carrefour en daar zijn ze niet vrij in. Die eigenaars zijn eigenlijk sukkelaars en die moeten dan ook nog eens uren kloppen dat het niet schoon is tot 8 uur ’s avonds."

 

"Ik heb hier zelf nog gewerkt,” vertelde ik toen we er voorbijreden, “toen ik pas alleen woonde. Ik kreeg alleen maar mijn kindergeld van 1500 frank en moest dan hier vrijdagavond en zaterdag zoete broodjes bakken voor Sofi de France. Da’s nog zo’n verhaal: want dat was dan weer eigendom van Vie de France maar dat is ook allemaal opgesplitst en niet alleen voor de CAO’s maar natuurlijk vooral voor de belastingen.”

 

“Verdammte Kapitalisten,” zei mijn Marokkaanse vriend. Ik knikte en zei “we hebben elkaar nog niet voorgesteld. Mijn naam is Reno Detruy.” Ik schudde zijn hand en hij zei “Mohammed Ali.” Ik boog mijn hoofd naar het meisje en legde mijn hand op mijn hart omdat ik haar geen hand wilde geven. Niet dat ik daar iets op tegen heb, verre van, maar ge weet nooit met vreemdelingen, ge moet die mensen niet schofferen, vind ik. Het is allemaal al erg genoeg zo. Maar ze stak toch haar hand uit en zei “Leila Khaled”. Ik vroeg of ze de broer was van Jef Galet maar dat bleek haar oom te zijn.

“Mohammed Ali, zei ik, amai, gij zijt veranderd. Ik herinner me nog je gevecht tegen George Forman. Dat moet in ’73 geweest zijn, denk ik.” Maar Mohammed corrigeerde me: het was in 1974.

 

“Juist, ja,” beaamde ik zonder zeker te zijn. “We hadden toen nog niet zo heel lang televisie. Maar die match heb ik gezien, dat was in Kinshasa en dat verschilde niet zoveel qua tijdzone, dus kon ik nog meekijken. Normaal lag ik om 8 uur al in bed en dus van de andere matchen in de States heb ik niets gezien. We zaten voor onze televisie te supporteren zoals we dat voor Eddy Merckx deden “Ali, Ali, Ali boma ye!” Ik dacht eerst dat dat je achternaam was, Bomayé. Pas later begreep ik dat het wou zeggen “maak hem af!”. Voor Eddy, bleef het gewoon bij “Eddy, Eddy, Eddy,” een achternaam hoefde toen niet. Hij was de enige kannibaal.”

 

Ik mijmerde wat. Ik dacht aan toen we onze eerste televisie kochten. Dat was een heel gedoe, onze buren kwamen kijken en we hadden nog geen auto toen, dat kwam later, hij werd gebracht zoals bij het IJsboerke. We waren plotseling wel middenklasse geworden, met een tv in huis. “Mensen schreven dat toen nog met hoofdletters, TV,” zei ik. een beetje zoals ‘verdammte Kapitalisten’ in het Duits. Maar ja, daar schrijven ze alles met hoofdletters, zelfs Scheiße.”

We lachten een beetje.

 

“Het eerste wat ik me op televisie herinner was natuurlijk de maanlanding. Daarvoor hadden we tenslotte dat toestel gekocht. Ik had zelf een Apolloraket in elkaar geflanst van Airfix. Dat was zo’n modelbouwdoos, maar ik was daar niet zo goed in. Ze stond een beetje schuin en je zag hier en daar klodders lijm hangen. Gelukkig moest ik ze niet lanceren want het was ze waarschijnlijk vergaan zoals Apollo 1 die uitbrandde op het lanceerplatform. Drie dooie astronauten die sterretjes zagen. Met die maanlanding waren we allemaal wild enthousiast: de toekomst was helemaal begonnen, duidelijk. Het was een soort startsignaal.

 

Ik heb ook nog beelden en de sfeer van oudejaar op tv in 1969. Ik dacht dat er zo gek gevierd werd omdat we van de jaren zestig overgingen naar de jaren zeventig en dat zo’n feest dus maar elk decennium werd gevierd. Toen ik later vaststelde dat ze dat jaarlijks deden, was ik een beetje ontgoocheld. Het was de tijd dat James Last iedereen teisterde met zijn orkest. Er werd afgeteld en toen was er nepvuurwerk op tv en toen riep James Last “Jetzt geht die Party richtig los!” en toen werd er gehost en gedanst. Mijn vader keek veel naar Duitse tv en had de hele collectie van James Last en alle Deutsche Militärmärschen. Het is een van de redenen waarom ik op 16-jarige leeftijd alleen ben gaan wonen.”

“Een mens zou voor minder,” zei Immanuel Wallerstein en ook Leila en Mohammed deelden mijn pijn.

 

“Ge moet dat verstaan,” zei ik, “mijn vader zijn beste tijd was tijdens de oorlog. Hij was als vrijwilliger naar Duitsland gaan werken en was voor het eerst onder moeders rokken uit. Hij was zestien of zeventien en ging ergens in Beieren in een brouwerij werken. Naar het schijnt was dat - naast de Rüstungsindustrie natuurlijk - een van de prioriteiten, destijds, bier.

 

Als jonge man werkte hij dan overdag, maar ’s avonds waren ze vrij en gingen ze uit. En ze hadden gratis bier op de koop toe. Dat moet daar plezant geweest zijn. Alle Duitse mannen zaten natuurlijk ook aan het front.”

 

“Ja,” zei Imannuel, “tenzij ze in de KZ zaten, natuurlijk, zoals mijn vader.”

 

“Oder schon tot waren,” voegde Mohammed eraan toe.

 

“Die Totenkopf-Division”, dacht ik, maar ik zei het niet. Hoe komen ze er godverdomme op.

 

“En ik herinner me nog iets van toen op tv. Iets dat me meer getekend heeft dan het gevecht van Ali, meer dan Eddy Merckx of Silvester ’69,” zei ik, “namelijk de arrestatie van Andreas Baader. Dat was in 1972 en ik zie nog altijd voor me de gebouwen, de tanks, de politie die toen nog in een soort parade-uniform optraden. Allemaal in zwart-wit. Van riotgear was nog geen sprake, dat was combatdress, alleen voor het leger. De politie zag er nog schattig uit, als een wijkagent of mijn vader in zijn postuniform. Ze hadden ook van die oude machinegeweren.

 

Het was niet alleen Andreas die gearresteerd werd, maar ook Holger Meins en Jan-Carl Raspe. Dat is trouwens een grappige anekdote want toen ik later zoveel last had met dat ALF, bedacht ik dat ik misschien van naam moest veranderen als ik nog een job wou vinden want alle gazetten zetten me op hun voorpagina. Met naam en toenaam en foto en al en als brein van het ALF. Terwijl een ALF helemaal geen brein nodig heeft; een dozeke stekskes kan volstaan. Ik zou daarom mijn naam dan veranderen in Andreas, Ulrike, Jan-Carl, Gudrun Detruy”, zei ik en daar moesten we allemaal smakelijk om lachen.

 

“Het beeld dat me vooral is bijgebleven is hoe Andreas uit het omsingelde gebouw komt, de armen uitgestrekt alsof hij zou gaan vliegen, maar daarvoor was het te laat, hij was omsingeld. Hij had zich tot op zijn onderbroek moeten uitkleden van de politie en liep daar op hen toe, mager, kwetsbaar en zij stonden daar met hun megafoon, hun tanks en hun wapens en hun schilden en hun sirenes die toen nog tatuu tataa deden op de Duitse televisie. Bij ons was het nog toeta toeta en in het Frans deden de sirenes pin-pon, pin-pon. Alles was veel onschuldiger. Nu is het allemaal wieoewieoewie en we zitten precies allemaal in een Amerikaanse politieserie uit de jaren tachtig."

 

Imannuel Wallerstein knikte en opperde "allemaal om de mensen bang te maken."

 

Ik was het er mee eens.

 

"Wat ik zag op tv was niet iets moderns of nieuws, in mijn hoofd mengde zich dat met de Christus die door de Romeinse soldaten werd gearresteerd. Die Jezus zoals hij in de Sint-Norbertuskerk, waar we ’s zondags naartoe moesten, levensgroot aan dat kruis hing, waarvan ik in het begin dacht dat het de echte was en dat hij daar echt naar mij hing te kijken tijdens zijn lijden. Ik verachtte de katholieken toen al, dat ze met al dat lijden zo koketteerden en uitpakten alsof het iets tof was, waar je plezier in kon vinden. "Dat ze de mensen eens met rust laten," dacht ik.

 

Die Andreas, die uitgemergelde, magere, wat ziekelijke en onverzorgde figuur met zijn stekende haren en met zijn armen uitgestrekt, op blote voeten en in zijn te grote witte onderbroek dat als een lendendoek om zijn middel hing en die zich machteloos moest overgeven aan de politie, ik had er medelijden mee. En die agenten met hun schilden die daar half in een Grieks-Romeinse falanx stonden opgesteld, ik verdacht ze ervan het allemaal voor een handvol Zilverlingen te doen.

Natuurlijk wist ik niets van de Rote Armee Fraktion. Ik had geen notie van politiek en ik bedacht me bij nieuws over aanslagen soms zoals bij het gekoketteer bij lijden “waarom laten ze de mensen niet mee rust?””

 

“Ja,” zei Immanuel. “Maar je moet weten, het waren de kinderen van nazi's. Het was de eerste generatie van na de oorlog en ze haatten hun ouders om wat ze hadden gedaan of toegelaten. En in tegenstelling tot de DDR was er ook helemaal geen denazificatie geweest. Het waren gewoon dezelfde mensen die op dezelfde posten waren blijven zitten.”

Ik knikte. “Ja, behalve dan diegenen die de Amerikanen met Operation Paperclip naar de VS hadden gebracht om daar gewoon verder te werken aan waar ze mee bezig waren, zoals het bespioneren van hun eigen burgers, het opzetten van een repressie-apparaat zoals de COINTELPRO. Of natuurlijk, zoals Werner Von Braun, die zijn naam niet gestolen had, en die aan de Gemini en Apollo-raketten mocht verder werken alsof het V1's en V2's waren uit Peenemünde en waarvan ik een vrije, artistieke interpretatie op mijn bureau had staan.”

 

We knikten allemaal en voelden onze boosheid opspelen.

 

“Wat ik toen ook niet wist”, ging ik verder, “was dat Andreas Baader al eerder was gearresteerd, voor het in brand steken van een warenhuis. Ik was te jong toen dat gebeurde, ergens in 1968 of zo. Ik denk ook niet dat het toen allemaal zo in het nieuws kwam als vandaag. Tegenwoordig zijn we op de hoogte als een idioot ergens kittens in de vaart smijt of een bebaarde met een gek hoedje een fatwa uitspreekt. Toen hadden we nog nooit van een fatwa gehoord.”

 

“Ja doch,” zei Mohammed en ook Leila knikte fel al was ze toen nog niet eens geboren. Maar ik geloofde hen wel. Die mensen groeien op met fatwa's en bebaarde mannen en gekke hoedjes. Maar wij niet.

 

“Ik kan nu nog altijd Ulrike Meinhof daarover citeren. Ze was tegen brandstichting in warenhuizen en ze schreef in het boekje Konkret dat haar man uitgaf “Gegen Brandstiftung im allgemeinen spricht, daß dabei Menschen gefährdet sein könnten, die nicht gefährdet werden sollen.” Schone, lange Duitse zinnen, schreef Ulrike. En dat was natuurlijk ook zo, dat van die slachtoffers, dat wisten wij maar al te goed, van de Innovation in Brussel in 1967. Meer dan driehonderd mensen die als levende fakkels op de afdeling lingerie rondhosten alsof ze vuurwerk waren op Silvester.”

“Of zoals de mensen in Dresden een paar decennia daarvoor,” vulde Immanuel aan. “Wist je trouwens dat Baader ten tijde van de brand in de Innovation in België was?”

 

Daar had ik al van gehoord, ja. Onder sommige van mijn vrienden werd daarover gemompeld dat hij in de commune n°1 in de Sanderusstraat zou gelogeerd hebben en het idee dat hij betrokken was bij de brand, werd ook al eens gelanceerd. Maar ik geloofde er niets van.

 

“Ja,” zei ik, “Ulrike was toen nog niet bij de Rote Armee Fraktion. Zij had er alleen ideeën over. Maar op basis van die ideeën dacht ze dat ze Andreas uit de klauwen van de Romeinen moest gaan bevrijden. Ze ging hem zogezegd helpen met een werk over randgroepjongeren, in de bibliotheek van de gevangenis. Ze had een pistool meegesmokkeld.”

“Das sollte man heute mahl versuchen,” zei Mohammed.

 

Leila lachte en zei “vroeger ging dat ook op vliegtuigen. Je kon zelfs je eigen machinegeweer gewoon meenemen. Nu niet eens meer je nagelknipper of een flesje shampoo.”

 

Ik moest denken aan de tijd toen je op vliegtuigen nog kon roken. Zo vloog ik eens met Sabena naar Chicago in de States. We gingen daar op zoek naar restanten of opvolgers van de Black Panthers. Ik had een stukje hash meegesmokkeld. Na het eten vroeg ik aan mijn kameraad Huey of hij zin had in een jointje. Hij lachte omdat hij dacht dat ik een grapje maakte, maar dat was niet zo. We zetten ons achteraan. Destijds kon je nog kiezen waar je ging zitten want die Boeings van Sabena vlogen half leeg naar Amerika. Dat werkte destijds een beetje zoals de Post of de Rijkswacht en de politie: als mensen maar een job hadden, was het al lang goed. En die kregen dan een uniform omdat ze voor niks anders goed waren. Dan konden ze toch daar iets van trots uithalen en er fier op zijn, met hun blinkende knoppen en hun manchetten. Ik heb toen het laatste stukje shit in wat tabak gerold en we hebben ons daar sky high gesmoord. Dat was lachen. Airmiles à volonté.

 

“Maar,” zei ik, “Ulrike schreef over die brandstichtingen in warenhuizen ook dat het onzinnig was. Want wat je in feite deed - ook als je geen slachtoffers maakte - was de vernietiging van de waren. En dat deed het kapitalisme al genoeg zelf. Het was volgens haar namelijk een van de grote problemen van het kapitalisme, zoals het dat ten tijde van oorlog in volle omvang deed. Want daar gaat oorlog tenslotte om: de gigantische vernietiging van waren en dus kapitaal. En au fond eigenlijk arbeid, want dat is het enige dat waren en kapitaal produceert.

 

Ze was er dus geen voorstander van. Maar helemaal op het einde van haar artikel citeerde ze Fritz Teufel met een zinnetje dat ik nog altijd uit het hoofd ken en waarmee ik het ook nog altijd helemaal eens ben: "Es ist immer noch besser, ein Warenhaus anzuzünden, als ein Warenhaus zu betreiben."

 

“En dat”, zo besloot ik mijn verhaal alvorens ik hen de hand schudde en afstapte aan het Boelaerpark, “dat geldt ook voor de Carrefour en den Delhaize.”

© Alle Rechten Voorbehouden

BANK