ROMAN

ZAK

of:

 

De Geschiedenis van het Anarchisme

in het Industriestadje Antwerpen

op het einde van de Twintigste Eeuw

zoals verteld door

Max Van Eighes

Bij de tweede, herziene druk

 

 

Ik moet me bij de lezer verontschuldigen voor deze herdruk en eigenlijk voor het bestaan van dit boek tout court. Niet omwille van de belabberde kwaliteit - die is betwistbaar en laat ik over aan de beoordeling van de lezer. Wel omdat ik het geschreven heb uit winstbejag en tegen mijn principes. Het boek is dus op generlei wijze de uitdrukking van mijn ideeën of emoties; de enige reden waarom het ooit het daglicht heeft gezien, is omdat ik ervoor betaald werd. Binnen het huidig economisch systeem een eerbaar uitgangspunt, maar voor een boek een droevig begin.

 

Ook het feit dat het boek ooit gedrukt en uitgegeven werd, heeft niets te maken met de inhoud of eventuele verkoopcijfers: de opdrachtgever heeft er veel geld voor op tafel gelegd en er is geen uitgeverij te vinden die daar neen op zegt.

 

Beschouw deze inleiding bij de tweede druk dus als een soort apologie waarop ik verder in dit boek niet zal terugkomen. Laat me volstaan met de stelling dat iedereen in zijn leven dingen doet waar hij later met spijt of soms een zekere verachting op terugkijkt. Zeker als hij weet welke impact en desastreuze gevolgen zijn daden op de rest van zijn leven, hemzelf en de mensen in zijn omgeving hebben gehad.

 

Verder verschilt deze uitgave nauwelijks van de eerste, met uitzondering van het hoge aantal typefouten dat er is uitgehaald en enkele originele documenten die in bijlage werden toegevoegd.

 

 

 

 

 

 

Boek I

Elders zijn er opklaringen

 

 

1. Mijn rugzak is versleten

 

 

 

Dat is voor u geen big deal, maar ik zit er wel mee. Ik heb hem gekocht toen mijn kinderen nog niet geboren waren, toen de Twin Towers recht stonden, de Sovjet-Unie reëel bestaand socialisme was, de kredietcrisis ons niet had lamgeslagen, er geen smartphones waren en internet in zijn kinderschoenen stond.

 

Dat klinkt alsof het een vorig millennium betreft en dat is ook zo.

 

Ik kocht die rugzak in The City of Brotherly Love, Philadelphia, aan een kraampje op straat. Als ik me goed herinner betaalde ik er tien dollar voor. Ik heb lang getwijfeld omdat ik dat veel geld vond. Maar ik had verder alleen een oubollige koffer en teveel nieuwe boeken. Bovendien vond je dat model bij ons niet en belangrijker: hij oogde zo modern. Alsof er nieuwe tijden aanbraken. Het was niet zo’n legerrugzak zoals die bij ons nog gebruikelijk waren - kaki canvas, lederen riempjes, metalen gespen - die als een buitenmatige balzak op je rug hangt en waar al je bezittingen zich onderaan in een onontwarbaar kluwen vermengen. Nee, het was een stevig ding uit kunststof met velcro sluiting en talloze kleinere compartimenten en zakjes aan de zijkanten en zakjes aan en in andere zakjes zodat je alles een vaste en duidelijke plaats kon geven. Zo wilde ik graag mijn rugzak en mijn leven inrichten. Niet dat ik dat ooit gedaan heb, maar het idee sprak me wel aan.

 

 

Na mijn aankoop ging ik een latte drinken in een kleine coffeeshop in het centrum. Dat café had iets van een bruine kroeg, met vijf of zes tafeltjes, een ruwe grenen toog, vrouwentongen en citronella op de vensterbank en computer- en lifestylemagazines die slordig of bewust nonchalant her en der verspreid lagen. Het was een coöperatieve, iets wat ik alleen kende uit onze Vaderlandse Geschiedenis en de Socialistische Gemeenschappelijke Actie, maar die waren toen al lang failliet. Van latte's en machiattos had ik nog nooit gehoord. Ik bestelde er ook een bagel bij, nog zoiets moderns dat je alleen in Amerikaanse politieseries zag. Tenzij je in Amerika woonde natuurlijk.

Die rugzak heeft me vergezeld op vele reizen: hij hing op mijn rug tijdens een betoging tegen de dictaten van de Troika op Syntagma, ik had hem bij toen ik in de wijk Sur van de stad Amed beschoten werd door Turkse soldaten. Toen de migratiediensten me in Tel Aviv arresteerden, werd hij in beslag genomen. Hij was mijn enige gezelschap toen ik in Sarajevo op zoek ging naar de kinderen die niet langer hun brieven beantwoordden.

In de koele kamer van het Bangli Mental Hospital op Bali hing hij een tijdje aan de haak naast het raam met de tralies. Voor dat raam stond een lichtblauw tafeltje met een stoel zodat je er kon eten of schrijven of therapeutisch tekenen terwijl je naar de palmbomen keek, naar de heilige Banyan boom waarvan de wortels van de takken naar beneden hingen, terug de grond in. Je kon verderop de bamboe zien of de acacia, de orchideeën of jasmijn. Ik zag door het raam vooral de tralies, maar dat lag aan mezelf.

 

 

Mijn rugzak stond op de grond in het stof van de lift die ons naar het restaurant op de bovenste verdieping van de Twin Towers bracht, drie dagen voor die voor de ogen van de wereld tot puin herleid werden.

Dat stof in die lift was ons opgevallen. We vonden dat het hele gebouw er onderkomen uitzag en dat verbaasde ons net zozeer als de slangenleren schoenen van de blanke liftboy die omkwam tijdens de aanslagen. We hadden geen woord met hem gewisseld en dat vonden we achteraf jammer. Ik beeld me in dat hij Dave of Mike heette. Misschien Donald.

 

De rugzak werd in Leningrad op de luchthaven opengetrokken en de dikke douanière met haar enorme boezem en derrière haalde er een lange overjas van het Sovjetleger uit en sprak streng ‘don’t you know it is forbidden to take state property?’. Toen ik gekscherend zei ‘it has been privatised’ begreep ik dat ik een stommiteit uitkraamde en het is maar dankzij mijn gezelschap dat ik nog op tijd het vliegtuig haalde.

 

 

Je moet me niet verkeerd begrijpen; ik heb geen emotionele band met die rugzak. Het is niet omdat hij al langer in mijn leven is dan mijn vrouw of mijn inmiddels volwassen kinderen, mijn e-mailadres en mijn telefoonnummer en voor een groot deel van mijn reizen mijn enige compagnon de route was, dat ik er gevoelsmatig aan gehecht ben. Het is een object. Praktisch, dat zeker, maar evengoed vervangbaar. Hoewel ik me afvraag of ze die nog leveren in dagen van planned obsolesence. Tegenwoordig worden gebruiksvoorwerpen niet gemaakt om lang mee te gaan, laat staan om ze te herstellen. Nieuwkoop is goedkoop, hoewel dat nog altijd botst in mijn hoofd.

 

Die drugzak stak ook vol qat toen ik in Jemen door de bergen trok.

 

...

 

...

 

 

4. Drift

 

We gaan met enige regelmaat wandelen. We vertrekken dan in Borgerhout en kiezen een richting. Geen specifiek doel, maar een windrichting of een wijk. ‘Gaan we naar het Zuid?’ vragen we dan aan elkaar. Of ‘Wat denk je van den Dam?’

Onderweg doorlopen we straten die we zelden frequenteren, waar weinig verkeer is of waar de zon toevallig schijnt. We wandelen door een stad waar we het grootste deel van ons leven wonen, alsof we toeristen zijn. ‘Kijk daar,’ zegt ze tegen mij en wijst naar een stoel op een braakliggend terrein. Het kan ook een sticker zijn op een lantaarnpaal of een stuk plastic dat in zijn zweeftocht door de vuile lucht in een boom is blijven hangen als een vriend op café die ons toezwaait alsof we oude bekenden zijn. Ik zwaai dan goedhartig terug, zij neemt een foto van dichterbij.

We gaan bij die tochten op zoek naar het einde van de wereld. Vroeger lag dat merkbaar dichterbij. Toen we elkaar nog niet kenden, maakten we, onafhankelijk van elkaar, gelijkaardige wandelingen. Het volstond destijds nog om de parking van de Zillion op te stappen. Daarachter was niets meer tot aan de Hobokense Polders. De stad stopte er met zijn. Je zag iets gelijkaardig aan het eilandje waar bewoning ophield en plaats maakte voor nijverheid en handel. Of op den Dam waar autosnel- en waterwegen de stad in toom hielden. In Berchem had je helemaal tot achter het vliegveld te stappen, maar dat ging destijds nog moeiteloos, als je de spoorweg volgde langs de verlaten bunkers. Plots was er niets meer.

In al die windrichtingen en alle kanten kende de stad een einde. Daar stopte de wereld en begon iets anders. Daar gaan we naartoe, zij en ik. Vroeger vond je daar dan een leegstaand stapelhuis, een achtergelaten en vervallen boerderij, twee bunkers naast elkaar, soms een uitgebrande villa waarvan het dak half was ingestort of een fabriek waar de machinekamer en burelen in zeven haasten waren leeggehaald en achtergelaten. Ik had er een gewoonte van gemaakt om via een stukgewaaid raam, een geforceerde deur of een ophaalpoort waar een vrachtwagen te enthousiast was tegen gereden, binnen te sluipen en door die gebouwen te dwalen. Zelden was er iets bruikbaars of van waarde. Daarvoor kwam ik doorgaans al meer dan een decennium te laat. Maar ik was blij met een verfrommelde krant uit ’56 waarin nog verhaald werd over de Hongaarse Opstand alsof WOIII zou uitbreken. Of een verroeste moer zo groot als mijn hand, een prikbord waarop onleesbare nota’s waren blijven hangen die nu krulden als verdroogde bladeren aan een buxusstruik. Of een kalender uit de jaren zeventig met een pin-up uit de jaren zestig.

Je wandelde er over versplinterd glas dat onder je voetzolen knirpste, in plassen waar regenwater en olie zich weigerden te mengen als hardnekkige Vlamingen met goedgelovige moslims. Een metalen dossierkast was achtergelaten met een stapel lege kasboeken van een bedrijf dat al geschrapt was uit het handelsregister. Op de muur bestond een telefoonnummer uit vijf cijfers. Je zag er het sanitair dat stukgeslagen of vergeten was, fonteinen van Duchamp in lange reeksen naast elkaar. En af en toe kwam je in een ruimte waar soms nog iemand woonde: een beduimelde matras, een halve bokaal witte bonen in tomatensaus, sigarettenpeuken in een gebarsten bord, lege, verfrommelde bierblikken en een gescheurde jeans, sokken en onherkenbare kledij in de hoek.

Elk van die gebouwen had specifieke, eigen geuren die ik me wel herinnerde uit een vaag verleden, maar zelden kon thuisbrengen. Droog cementpoeder of beschimmeld textiel, een verdronken hond of verbrand plastiek, verschraald bier, urine en een oplosmiddel uit een spuitbus.

 

 

Spannend waren de eerste gebouwen die ik zo bezocht: de bunkers uit WOII dicht bij de ouderlijke woonst. Daar bonkte mijn hart fel in mijn keel omdat ik vreeshoopte er nog ondergedoken nazi’s aan te treffen. Maar te hoog gespannen verwachtingen, zo leerde ik al snel, leidden tot desillusies. Er zaten geen nazi’s en er lagen zelfs geen wapens of bommen of kogelhulzen. Boeiend was de uitgebrande villa die in alle haasten verlaten was en waar veel meer dingen getuigden van een voorbij leven. Als een expert kon ik dan vaststellen dat er drie brandhaarden waren, dat de bewoners een koppel zonder kinderen moeten zijn geweest. Dat ze relatief welvarend waren, zag ik aan wat restte van het zwartgeblakerde meubilair. Het was alsof je door een boek waadde of door een film struinde: overal waren verhalen die een band sloegen tussen wat vooraf ging en wie je zelf was. Je kon je een detective wanen en aan de hand van gevonden voorwerpen en aanwijzingen een verhaal construeren van een misdaad die wellicht nooit had plaatsgevonden.

Ik kende toen nog minder angst dan nu. Ik was al vaak genoeg gestorven om met de dood te leven. Een verkoolde trap naar de eerste verdieping testte ik even door er een paar keer op te springen. Als hij het niet onmiddellijk begaf, had ik er alle vertrouwen in. Een stukgeslagen vloer overbrugden we door een evenwichtsoefening op de balk en een volgelopen put van waaruit men vroeger vrachtwagens herstelde, stak ik over door aan de ketting te zwieren die er boven hing.

 

Soms overdreven we in onze minachting voor de dood. Zo had ik de gewoonte om naar de droogdokken te trekken. Vlakbij waar toen nog het kot was waar havenarbeiders hun arbeid per dag verkochten. In die droogdokken lagen schepen te wachten op herstelling en aangezien de dokken werden leeggepompt, kon je die schepen in al hun glorieuze massa bekijken. Zoals met ijsbergen zat ook daar het grootste gedeelte vaak onder water. Daar had je geen gedacht van als je ze over de Schelde zag voorbij glijden, maar in zo’n dok werd dat zichtbaar. Er stonden ook kranen die niet alleen ver boven de grond uittorenden, maar nog veel verder boven de bodem van zo’n droogdok. Daar klommen we dan in. Niet via de daartoe voorzien trapladder, maar gewoon gezwind ons vasthouden aan de dwarsspijlers en diagonale metalen latten die de kraan bij elkaar hielden. Tot we helemaal boven in de kruin van zo’n kraan gingen liggen. De kranen helden schuin voorover zodat je er tamelijk comfortabel lag. ‘Ze staan een beetje in spuughouding’, zoals een oude schipper het me had beschreven. Je had dan een overzicht over heel de stad en omstreken. Daar rookten we dan een joint of dronken verder de fles wodka leeg. Want daarin schuilde eigenlijk het risico: niet in zo’n kraan klimmen, maar dat we dat stomdronken en compleet stoned deden. Bovendien: het was een wekelijkse gewoonte en statistisch gezien vergrootten we elke keer de kans op een bruusk einde. In onze jeugdige overmoed lachten we ermee: ‘komt zo in de gazet,’ bulderden we dan en fantaseerden banale titels als ‘jongeling valt uit kraan te Antwerpen’. We konden ons de details van dergelijke artikels makkelijk voor de geest halen: ‘P.T., een jongeman van 19, is vorige nacht in de droogdokken te Antwerpen uit een kraan gevallen. Wat de jongeling in de kraan deed, is niet duidelijk. De man moet op slag dood zijn geweest, gezien de erbarmelijke toestand waarin het lichaam werd teruggevonden.’ Dat soort dingen. We deden het met diepe doodsverachting. Niet omdat we bijzonder moedig waren, maar een beetje idioot.

 

Het grootste probleem was overigens niet om in de kraan te kruipen. Dat ging vrij vlot: je keek omhoog, nam de volgende pijler, tilde je voet hoger tot je iets voelde, trok je op en zo kwam je aan de top. Dat was simpel: je hield je ogen op het doel. Het probleem stelde zich in de afdaling. Je zag namelijk niet waar je naartoe ging, je had te tasten en als je trachtte te kijken, zag je de diepte onder je, de afgrond die, als je er te lang in staart, ook in jou staart. Dat was het moment waarop de angst toesloeg, waarop de drank en drugs hun werk optimaal deden en je begreep hoe iel het leven is en hoe snel het voorbij kan zijn.

Ik ben evenwel nooit op die manier in de gazet gekomen, zoals blijkt.

De Minister van Agitatie

PROFESSIONELE AMBRASMAKERIJ SINDS 1789

 

U vindt de Minister van Agitatie op MediaRevolt, op Twitter, via zijn Wordpress blog en steeds minder vaak op Facebook omdat hij daar gedurig geblokkeerd wordt. Iemand maakte over de Minister ook een Wikipedia pagina. Maar daar is nog werk aan.

Copyleft. Alles op deze website mag verder verspreid worden voor niet-commerciële doeleinden en mits bronvermelding.